Kanaaldijk-Noord 1, 5613 DH, Eindhoven
+31 (0) 40-2452555

De Hoge Raad heeft opnieuw uitspraak gedaan over het kindgebonden budget

In het artikel “Opnieuw prejudiciële vragen over alimentatie” informeerden wij u over het feit dat het Gerechtshof Den Haag opnieuw een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad heeft gesteld, omdat het onduidelijk was hoe er met het kindgebonden budget moet worden omgegaan in het kader van de partneralimentatie.

De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2015 geoordeeld dat het kindgebonden budget niet in mindering strekt op de behoefte van het kind, maar dient te worden meegenomen in de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Het kindgebonden budget verhoogt dus het inkomen en daarmee de draagkracht.

 

Al snel na deze uitspraak rees de vraag of het kindgebonden budget ook moet worden meegenomen in de berekening van de partneralimentatie. Als het kindgebonden budget als inkomen wordt beschouwd, heeft de alimentatiegerechtigde – die veelal het kindgebonden budget zal ontvangen – een hoger inkomen en dus een lagere behoefte aan partneralimentatie, waardoor de alimentatieplichtige minder of mogelijk geen partneralimentatie hoeft te betalen.

De Expertgroep Alimentatienormen gaf in het Tremarapport aan dat het kindgebonden budget als inkomen moet worden meegenomen bij de vaststelling van de partneralimentatie.

In reactie op de prejudiciële vraag van het Gerechtshof Den Haag heeft de Hoge Raad op 7 juli 2017 anders beslist. De Hoge Raad overweegt dat het kindgebonden budget een inkomensafhankelijke regeling is. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van het verzamelinkomen. Partneralimentatie is van invloed op de hoogte van het verzamelinkomen en dus op de hoogte van het kindgebonden budget. Naarmate een alimentatiegerechtigde meer partneralimentatie ontvangt, neemt de aanspraak op kindgebonden budget af.

De Hoge Raad overweegt hierover:

“Hierin komt het ‘subsidiaire’ karakter van het kindgebonden budget als inkomensafhankelijke overheidsondersteuning tot uitdrukking. Indien het kindgebonden budget bij de alimentatiegerechtigde als inkomen in aanmerking zou worden genomen, zou dat tot gevolg hebben dat de behoefte aan partneralimentatie afneemt, wat met dit subsidiaire karakter in strijd is. Er bestaat dan ook geen grond het kindgebonden budget anders te beoordelen dan andere inkomensafhankelijke regelingen, zoals zorg- en huurtoeslag.”.

De Hoge Raad stelt verder: “dat het kindgebonden budget ertoe strekt gezinnen met lagere inkomens een bijdrage te verstrekken in de kosten van de tot het gezin behorende kinderen. Daarmee verdraagt zich niet dat  (een gedeelte van) het kindgebonden budget zou moeten worden aangewend om in de eigen kosten van de alimentatiegerechtigde te voorzien. Overigens verdraagt zich daarmee evenmin, dat de alimentatieplichtige die tevens de verzorgende ouder is, door hem of haar ontvangen kindgebonden budget (door het in aanmerking nemen daarvan bij de berekening van zijn of haar draagkracht) zou moeten aanwenden om partneralimentatie te betalen.”.

De Hoge Raad geeft verder nog mee “dat het voorgaande niet anders wordt ingeval de hoogte van het kindgebonden budget het aandeel van de alimentatiegerechtigde in de kosten van de kinderen overtreft”. Het kindgebonden budget mag dus alleen voor de kinderen worden aangewend en niet voor iets anders, bijvoorbeeld voor de kosten van levensonderhoud van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. De Hoge Raad vindt dit gerechtvaardigd omdat de kosten van de kinderen forfaitair worden vastgesteld en de werkelijke kosten hoger kunnen zijn.

De prejudiciële vraag van het Gerechtshof Den Haag worden dus als volgt door de Hoge Raad beantwoord:

“Bij het kindgebonden budget is sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage buiten beschouwing moet worden gelaten bij het vaststellen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan een uitkering tot levensonderhoud op de voet van artikel 1:157 BW.”.

De volledige uitspraak van de Hoge Raad kunt u teruglezen via onderstaande link:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1273