Kanaaldijk-Noord 1, 5613 DH, Eindhoven
+31 (0) 40-2452555

Omgang tussen grootouders en kleinkinderen

02 september 2016   mw. mr. Maas-van Weert

Opa en oma spelen vaak een rol in de opvoeding en verzorging van hun kleinkind. Waar in het ene geval het contact beperkt blijft tot de jaarlijkse feestdagen, passen in het andere gevallen grootouders een keer (of soms meerdere keren) per week op hun kleinkroost. De grootouders hebben in het laatstgenoemde geval zelfs deels een verzorgende en opvoedende taak.

Wat nu als de ouders gaan scheiden en door de onderlinge verstandhouding tussen de ouders het contact tussen het kleinkind en de grootouders verminderd, of er ruzie ontstaat tussen de ouders enerzijds en de grootouders anderzijds. Is er dan geen contact meer tussen het kleinkind en zijn of haar grootouders?

In de wet is het omgangsrecht van grootouders in tegenstelling tot andere Europese landen niet verankerd. Waar een juridische ouder het recht op omgang heeft, heeft een grootouder dat dus niet. Wel kan de rechter op verzoek van degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan een omgangsregeling vaststellen. Grootouders kunnen de rechter dus verzoeken om een omgangsregeling met hun kleinkind vast te stellen, mits zij in een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ tot het kind staan. Dit criterium wordt, onder verwijzing naar artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens ook wel ‘family life’ genoemd. Enkel de bloedband is dus niet voldoende. Er moet in zekere mate sprake zijn van concreet contact.

Of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en het kind zal in elk afzonderlijk geval beoordeeld moeten worden. Het uitgangspunt is dat het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking niet zomaar wordt aangenomen. De grootouders zullen aannemelijk moeten maken dat zij een concrete (verzorgende) rol speelden in het leven van het kind. Een grootouder-kleinkind relatie, waarbij de grootouder het kleinkind af en toe ziet en waarbij het kind incidenteel komt logeren blijkt in de praktijk vaak niet voldoende. Familylife wordt dus niet snel aangenomen.

Wanneer de rechter vaststelt dat er sprake is van family life tussen de grootouders en het kleinkind zijn de grootouders in ieder geval ontvankelijk in hun verzoek om vaststelling van een omgangsregeling. De eerste hobbel is dan genomen. Daarna zal de rechter beoordelen of de verzochte omgangsregeling in het belang van het kind is.

De laatste jaren is er overigens wel een verschuiving zichtbaar. Rechters zijn sneller geneigd om omgang tussen een grootouder en zijn of haar kleinkind te bewerkstelligen. Onlangs heeft de rechtbank te Den Haag nog besloten dat er ‘voor familylife niet méér nodig is dan geregeld en wederzijds als plezierig ervaren contact, in de zin van bezoekjes, oppassen, logeerpartijtjes, gezamenlijk uitstapjes e.d.’ In 2015 is er bovendien een initiatiefnota ingediend door het CDA teneinde het recht op omgang voor grootouders wettelijk te verankeren. Hoewel dit nog niet concreet tot een wetswijziging heeft geleid staat het recht op omgang van grootouders dus ook politiek op de agenda.

Meer informatie

Indien u meer informatie wilt ontvangen kunt u contact opnemen met een van onze advocaten familierecht