Kanaaldijk-Noord 1, 5613 DH, Eindhoven
+31 (0) 40-2452555

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing: waarom, wanneer en hoe?

29 juli 2016   mw. mr. Maas-van Weert

De (voorlopige) ondertoezichtstelling van een minderjarig kind en de (gedwongen) uithuisplaatsing zijn kinderbeschermingsmaatregelen die hun wettelijke grondslag vinden in het Burgerlijk Wetboek. In welke gevallen kan een kind onder toezicht worden gesteld en wanneer kan de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen?

Als een kind in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd is vrijwillige hulpverlening altijd het uitgangspunt. Soms is vrijwillige hulpverlening echter niet voldoende en werken de ouders/verzorgers in het vrijwillige kader onvoldoende mee om de ontwikkelingsbedreiging aan te pakken. De wet kent in dergelijke gevallen een aantal kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing.

Ondertoezichtstelling

De wet bepaalt in artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is door de ouders/verzorgers niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en niet te verwachten is dat de ouders/verzorgers binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen. Er moet dus sprake zijn van een ontwikkelingsbedreiging en de ouders moeten onvoldoende in staat zijn om zelf (via vrijwillige hulpverlening) een einde te maken aan deze ontwikkelingsbedreiging.

De Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie kunnen een verzoek om ondertoezichtstelling indienen bij de kinderrechter. Een verzoek wordt in de praktijk vaak ingediend nadat zorgverleners of vrijwillige hulporganisaties (Veilig Thuis, het ziekenhuis, gemeentelijke hulporganisaties) een zorgmelding hebben gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming. Ouders en pleegouders zijn overigens ook bevoegd om een verzoek in te dienen maar alleen indien de Raad voor de Kinderbescherming ondanks een verzoek daartoe geen verzoek indient.

Een verzoek wordt ingediend bij de kinderrechter. De kinderrechter roept vervolgens na de ontvangst van het verzoekschrift alle belanghebbenden op -waaronder de ouders- om het verzoek te bespreken.

Een ondertoezichtstelling kan ook voorlopig worden uitgesproken indien een ernstig vermoeden bestaat dat de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling zijn vervuld maar een spoedmaatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor het kind weg te nemen. In dit geval kan de mondelinge behandeling vooraf achterwege blijven maar zal de rechter alle partijen zo snel mogelijk na het uitspreken van de ondertoezichtstelling alsnog moeten horen.

Indien de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken wordt er een gezinsvoogd benoemd (meestal Stichting Bureau Jeugdzorg) die toezicht houdt op het kind. De gezinsvoogd mag de ouders aanwijzingen geven. De ouders moeten de aanwijzingen opvolgen.

Een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken voor ten hoogste een jaar. Deze termijn kan telkens worden verlengd door de rechter met maximaal een jaar. Verlenging kan worden aangevraagd door de gecertificeerde instelling (bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg). Indien de gecertificeerde instelling geen verlengingsverzoek indient, dan zijn de Raad voor de Kinderbescherming, de ouders/pleegouders en het Openbaar Ministerie bevoegd tot het indienen van een verlengingsverzoek.

Uithuisplaatsing

Soms is toezicht op de ontwikkeling van een kind niet voldoende. De wet kent in artikel 1:265b Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid om een kind uit huis te plaatsen, bijvoorbeeld bij een opa of oma of in een pleeggezin. De wet zegt hierover dat uithuisplaatsing alleen mogelijk is indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het verzoek tot het verstrekken van een machtiging uithuisplaatsing kan worden ingediend door de gecertificeerde instelling, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Het verzoek strekkende tot uithuisplaatsing van een kind wordt -net als het verzoek tot ondertoezichtstelling- door de kinderrechter ter zitting behandeld. De belanghebbenden -waaronder de ouders- kunnen op deze zitting hun standpunt over het verzoek kenbaar maken.

In sommige gevallen kan een zitting niet worden afgewacht. De wet kent daarom de bevoegdheid aan de rechter toe om een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging uithuisplaatsing af te geven, zonder dat de ouders hierover vooraf worden gehoord, indien er sprake is van onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind. Een dergelijke machtiging is maar twee weken geldig. Binnen twee weken moet er dus een mondelinge behandeling worden ingepland waar alle betrokken partijen voor worden uitgenodigd.

Net als de ondertoezichtstelling kan de uithuisplaatsing telkens voor de duur van een jaar worden verlengd door de rechter.

Meer informatie

Indien u geconfronteerd wordt met een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing is het verstandig om gespecialiseerde hulp van een advocaat in te roepen. U kunt hiervoor contact opnemen met een van onze advocaten familierecht.

 

Houben & van Dijck